Op 16 mei 1944 werden aan beide zijden van de Merwede honderden jonge mannen
opgepakt en door de bezetter weggevoerd. Velen van hen keerden nooit terug.
opgepakt en door de bezetter weggevoerd. Velen van hen keerden nooit terug.
| Naam: | Adriaan Bernhart |
| Voornaam: | Adriaan |
| Geboren: | Donderdag 16 Juli 1925 te Sliedrecht |
| Adres: | B 59 |
| Woonplaats: | Sliedrecht |
| Opgepakt bij de Razzia in Sliedrecht en Hardinxveld van 16 mei 1944 in de B 59, Sliedrecht. | |
| Tussen 16 mei 1944 en 7 juli 1944 werden 263 gegijzelden vrijgelaten | |
| Adriaan Bernhart is vrijgelaten: Dinsdag 4 Juli 1944 | |
| Overleden: | Vrijdag 22 Maart 1991 te Gorinchem |
| Persoonlijk verhaal: | |
| Mevrouw T.G. Bernhart-van de Wetering, de weduwe van Adriaan Bernhart, bezoekt op woensdag 3 juni 2009 de tentoonstelling in het Sliedrechts Museum. Zij vertelt dat ze als 16-jarig meisje toe moest kijken hoe de jongen waar ze smoorverliefd op was, werd afgevoerd. Met een brutaal smoesje kreeg ze het nog wel voor elkaar langs een Duitser te komen, zodat ze nog een groet naar haar Adriaan kon roepen. Omdat de heer Bernhart bij Aviolanda in Papendrecht werkzaam was, werd hij begin juli 1944 uit Kamp Amersfoort vrijgelaten. De zus van de heer Bernhart, Niesje, had in 1944 verkering met Jan Hettema uit Hardinxveld, die ook bij de razzia van 16 mei 1944 werd opgepakt. Hettema keerde nooit naar zijn geboortedorp terug; hij overleed 29 oktober 1944 te Zöschen, waar hij ook is begraven. De heer Bernhart heeft in Kamp Amersfoort op een heel klein velletje papier een lied geschreven, wat in het kamp door de de gevangenen werd gezongen. Mevrouw Bernhart heeft dit papiertje, met daar op onderstaande tekst, bewaard. Gevangenenlied O, breng mij terug naar de huiselijke haardstee O, breng mij terug naar mijn ouders of mijn vrouw Daar is de vrijheid en ben ik tevreden Daar is het mooie waar ik zoveel van hou O, wat verlang ik toch naar het vrije leven Wanneer zie ik die mooie buitenwereld weer En weer in het burger, dat is mijn enig streven O, lieve moeder, wanneer zie ik u weer Vele gedachten, ja, zijn bij vrouw en kindren En menig traantje stroomt er 's nachts dan langs de wang En die gedachten, die blijven ons hindren Want voor het welzijn van hen allen zijn wij bang O, lieve God, laat ons toch niet versmachten Hebt u wat meelij met ons lieve Heer; Laat u ons toch niet langer meer wachten Schenk ons de vrijheid en ons huislijk leven weer | |
